bordes

onzijdig (het)/bɔr'dɛs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verhoogd platform dat bereikbaar is via een aantal treden en toegang geeft tot een gebouw
    De koning werd verwelkomd op het bordes van het stadhuis.
    Ik had hem van een afstand al zien zitten op de marmeren trappen van het bordes voor de ingang, die was geflankeerd door Korinthische zuilen, onder de gouden letters waarmee de naam van Grand Hotel Europa was geschreven, toen de taxi knarsend over het grindpad tussen de platanen het einde begon te naderen van de lange oprijlaan. {{Aut|Pfeiffer, Ilja Leonard
    Hun voorsprong was hooguit tien meter. Eenmaal op het bordes werd het uitzichtloze van hun situatie direct duidelijk.
  2. horizontaal deel tussen twee delen (steken) van een trap waar men even kan rusten

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘verhoogde stoep’ voor het eerst aangetroffen in 1845

Vertalingen

Engelsplateau, platform
Spaansescalinata, gradas