bosarbeider
mannelijk (de)/ˈbɔsɑrˌbɛidər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) iemand die ongeschoold werk doet bij de winning van hout te winnen en het onderhoud van bossenDe Jong ziet bij zijn boerderij in Vught bosarbeiders hakhout opschonen.De zoon van een bosarbeider, afkomstig uit een christelijk gezin, beschikte over een ijzeren gestel en een puike conditie.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek