boterkoek

mannelijk (de)/ˈbotərˌkuk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een koek, traditioneel bereid met roomboter, die gevuld wordt met amandelspijs
    Hij eet graag boterkoeken.

Vertalingen

Engelsbutter biscuit
Duitsholländischer Butterkuchen
Spaanstorta de mantequilla