botsing
vrouwelijk (de)/ˈbɔt.sɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het botsenEr was gisteren weer een frontale botsing op de snelweg.
- een conflict of ruzieZij kwamen weer eens in botsing met elkaar."Diplomatie sterft live op televisie": dit zien internationale media in de botsing tussen Zelensky en Trump. [https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2025/03/01/ruzie-tussen-zelensky-trump-en-vance-media/ www.vrt.be (1 mrt 2025)]Een incident dat nauwelijks voor een botsing door kon gaan.
Etymologie
*Naamwoord van handeling van botsen .
Vertalingen
Engelscollision, clash
Franscollision, collision
DuitsAufprall, Kollision, Zusammenstoß
Spaanscolisión, choque, impacto
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek