brak

mannelijk (de)/brɑk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een jachthond die gebruikt wordt voor de jacht op lopend wild
    Er zijn verschillende hondenrassen die als brakken gebruikt worden.

Etymologie

* In de betekenis van ‘zilt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477

Vertalingen

Engelshound
Spaanssalobre