breker

mannelijk (de)/ˈbrekər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een persoon die iets breekt
    "De breker betaalt" was de conclusie van de kabinetscrisis van '89.
  2. een golf in de branding waarvan de top over de basis heenvalt
    De storm van de vorige dag verzoorzaakte prachtige brekers aan het strand.
  3. een apparaat waarmee grote brokken vaste stof in kleinere stukken gebroken worden
    Deze mobiele breker vindt gretig aftrek.

Etymologie

* van breken