breken
/xxxx/
Wat is de betekenis van breken?
breken betekent: (erga) (algemeen) in stukken uiteenvallen
Betekenis
werkwoord
- (erga) (algemeen) in stukken uiteenvallen
- (erga) een doorgang, scheiding forceren
- (erga) (van de jongensstem) wisselen
- (ov) (natuurkunde) (optica) veranderen van richting van stralen
- (ov) in stukken uiteen doen vallen
- (psychologie) heel erg somber worden
Voorbeelden van "breken" in een zin
- De ruit is vanmiddag gebroken.
- In de puberteit breekt de jongensstem
- Het prisma breekt de lichtstraal.
- Wanneer een lichtstraal op het scheidingsvlak van twee verschillende middenstoffen valt, zal hij in het algemeen voor een gedeelte worden teruggekaatst en voor het overige gedeelte gebroken worden.
- Vanmiddag brak een hevige windvlaag de ruit van de voorkamer.
Etymologie
* In de betekenis van ‘klein of stuk maken’ voor het eerst aangetroffen in 1237
Uitdrukkingen
- De staf over iets/iemand breken — Iets of iemand afkeuren
- Een lans breken voor iemand — Het voor iemand opnemen, ofwel: voor iemand de best doen diegene ergens mee te helpen iets te verkrijgen
- Een potje kunnen breken (bij iemand) — Een goede verstandhouding met iemand hebben, waardoor diegene niet gauw boos wordt
- Het ijs is gebroken — Na een afstandelijk begin is men vriendelijk tegen elkaar
- Iemand kunnen maken en breken — De mogelijkheid hebben om te beslissen over iemands leven en dood en diens welbevinden
- Je kan geen omelet maken zonder eieren te breken. — Om iets te bereiken moet je investeren en//of moeite doen
- Langzaam aan, dan breekt het lijntje niet — Je kunt beter rustig doorwerken, dan kan er het minste fout gaan
- Men kan geen ijzer met handen breken — Iets niet doen omdat er op dat moment de tijd/middelen niet voorhanden zijn
Vertalingen
Engelsbreak, break
Fransbriser, briser
Duitsbrechen, brechen
Spaansromperse, estrellar, estrellarse
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek