schenden

/sxɛndə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets niet in acht nemen
    Zijn handelwijze schond een eerdere afspraak.
    De Zweedse regering start een landelijke voorlichtingscampagne over wat te doen bij crisis en oorlog. Alle Zweden krijgen een brochure toegestuurd met praktische tips over noodvoorraden, slingerradio's en schuilkelders. De Zweden, geen lid van de NAVO, worden onder meer nerveus van Russische straaljagers die het luchtruim schenden [https://nos.nl/artikel/2232932-neutrale-zweden-bereiden-zich-voor-op-crisis-en-oorlog.html www.nos.nl]
    In totaal moesten de havoleerlingen 31 vragen beantwoorden. Op het erratum stonden volgens het CvTE vier vragen. Deze moeten nu voor maandag 23 mei worden aangepast voor het vwo-examen, omdat de geheimhouding van het aardrijkskunde-examen voor het vwo geschonden is.
  2. te schande maken
  3. bederven, verderven, aantasten, beschadigen

Etymologie

* In de betekenis van ‘schade berokkenen’ voor het eerst aangetroffen in 1220

Uitdrukkingen

  • De rechten van iemand schenden.
  • Wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezichtwie slecht spreekt over zijn familie, spreekt slecht over zichzelf

Vertalingen

Engelsviolate
Duitsverletzen
Spaansviolar