brugdag

mannelijk (de)/ˈbrʏɣdɑx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. extra vrije dag tussen een officiële vrije dag en het weekend (door een werknemer opgenomen, zodat hij langer vrij heeft of door de werkgever vastgesteld, zodat het bedrijf zonder onderbreking kan worden gesloten)
    Het is voor velen een brugdag vandaag, omdat het dinsdag Allerheiligen is. Maar onder andere de banken en bpost nemen die brugdag niet.

Etymologie

*, leenvertaling van "jour de pont"