brugklasser
mannelijk (de)/'brʏxklɑsər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (onderwijs) iemand die in de brugklas zitHij keek nu als een hoogst verontwaardigde conciërge die zojuist twee brugklassers had betrapt op het roken van een sigaret in de toiletten.
Etymologie
*afgeleid van brugklas
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek