brugklasser

mannelijk (de)/'brʏxklɑsər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onderwijs (onderwijs) iemand die in de brugklas zit
    Hij keek nu als een hoogst verontwaardigde conciërge die zojuist twee brugklassers had betrapt op het roken van een sigaret in de toiletten.

Etymologie

*afgeleid van brugklas