brui
mannelijk (de)/brœy/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verouderd) slag, stootEen in den gemeenen spreektrant gebruiklijk woord, voor slag, stoot: ik gaf hem eenen brui.Men riep den brui valt in, 'k ontweek die wisse slaagen. Men is syn vaaderstad, en welvaart, van het land Gehouwen voor te staan, ook met gevaar van 't leeven:
Etymologie
*[1] van "bruien" "plagen; stoten"
Uitdrukkingen
- Er/Ergens de brui aan geven — Ergens mee stoppen uit demotivatie, frustratie over het gebrek aan voortgang e.d.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek