bruid

vrouwelijk (de)/brœyt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een vrouw die in het huwelijk treedt
    Ze was een stralende bruid op die prachtige dag.
    Ze bekijkt Nella met een kille glimlach en laat haar blauwe ogen over de jonge bruid dwalen.
    De kersverse bruid bracht haar huwelijksnacht door in het bed dat ze al jaren met Arabella deelde, met haar voeten naar het hoofdeinde van haar woelende zusje gericht.

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands bruut ‘verloofde, jonggehuwde vrouw, bijzit’, ontwikkeld uit Oergermaans *brūdi-; verdere herkomst onzeker. Misschien een afleiding op vervrouwelijkend *-ti (vgl. maagd) bij dezelfde stam als Oudnoords brúða ‘vlasbundel’, IJslands brúða ‘pop; marionet’ en Noors brugde ‘bundel, plukje’. Evenals Nederduits Bruut, Duits Braut en Fries breid.

Vertalingen

Engelsbride
Fransmariée
DuitsBraut
Spaansnovia
Italiaanssposa
Russischневеста
Arabischعَرُوس
Poolspanna młoda