bruid

vrouwelijk (de)/brœyt/

Wat is de betekenis van bruid?

bruid betekent: een vrouw die in het huwelijk treedt

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een vrouw die in het huwelijk treedt

Voorbeelden van "bruid" in een zin

  • Ze was een stralende bruid op die prachtige dag.
  • Ze bekijkt Nella met een kille glimlach en laat haar blauwe ogen over de jonge bruid dwalen.
  • De kersverse bruid bracht haar huwelijksnacht door in het bed dat ze al jaren met Arabella deelde, met haar voeten naar het hoofdeinde van haar woelende zusje gericht.

Betekenis en uitleg van bruid

Een bruid is een vrouw die binnenkort gaat trouwen of net is getrouwd. Ze staat vaak in het middelpunt van de belangstelling op haar huwelijksdag, gekleed in een speciaal gekozen trouwjurk.

Het woord 'bruid' wordt vaak gebruikt in de context van een huwelijk en kan zowel verwijzen naar de vrouw die in de echt wordt verbonden als naar de rol die zij speelt tijdens de ceremonie. In verschillende culturen en tradities zijn er specifieke rituelen en gebruiken rondom de bruid, zoals het kiezen van een trouwjurk of het organiseren van een vrijgezellenfeest. De term kan ook emotionele nuances met zich meebrengen, zoals vreugde, spanning en verwachtingen.

Voorbeelden

  • De bruid straalde van geluk terwijl ze haar geloften uitsprak.
  • Tijdens de bruiloft kwam de bruid met haar vader de kerk binnen, wat een ontroerend moment was voor alle gasten.
  • De vrienden van de bruid organiseerden een verrassingsfeest ter voorbereiding op haar grote dag.

Woordoorsprong

Het woord 'bruid' is waarschijnlijk afgeleid van het Oudgermaanse woord 'brūþiz', dat 'trouwen' of 'in de echt verbinden' betekent.

Veelgestelde vragen over bruid

Wat is de betekenis van bruid?

bruid betekent: een vrouw die in het huwelijk treedt

Welk woordgeslacht heeft bruid?

bruid is een vrouwelijk (de).

Hoe gebruik je bruid in een zin?

Voorbeeld: “Ze was een stralende bruid op die prachtige dag.

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands bruut ‘verloofde, jonggehuwde vrouw, bijzit’, ontwikkeld uit Oergermaans *brūdi-; verdere herkomst onzeker. Misschien een afleiding op vervrouwelijkend *-ti (vgl. maagd) bij dezelfde stam als Oudnoords brúða ‘vlasbundel’, IJslands brúða ‘pop; marionet’ en Noors brugde ‘bundel, plukje’. Evenals Nederduits Bruut, Duits Braut en Fries breid.

Vertalingen

Engelsbride
Fransmariée
DuitsBraut
Spaansnovia
Italiaanssposa
Russischневеста
Arabischعَرُوس
Poolspanna młoda