buigzaamheid

vrouwelijk (de)/'bœyxsamhɛɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het vermogen om te kunnen buigen
    Experts verklaarden dat vrouwen die gedurende langere periodes hoge hakken dragen te maken kunnen krijgen met 'verminderde balans, verminderde buigzaamheid van de enkels en verminderde spierkracht in het onderbeen'.
  2. het zich kunnen aanpassen
    De woorden van Rutte over het Verdrag van Rome contrasteerden niet alleen met de inhoud van het document, ze druisen ook in tegen zijn politieke handelingen. Dat Rutte een flexibele relatie onderhoudt met de liberale beginselen van de partij was al langer bekend, maar de rigide Zijlstra toonde donderdag aan over dezelfde buigzaamheid te beschikken als het gaat om Europese visioenen.
    De verplichte oefening aan de politieke rekstok zal de PvdA hebben overtuigd van de vereiste buigzaamheid van de kandidaat, maar bij veel andere fracties heeft Res met zijn knieval juist veel krediet verspeeld. Een rondgang leert dat hij dinsdag kan rekenen op hooguit zes van de dertien stemmen, onvoldoende om de bestuurszetel te veroveren.

Etymologie

* afleiding van buigzaam

Vertalingen

Engelssuppleness, flexibility