onbuigzaamheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. van een voorwerp dat het niet te buigen is
  2. stugge onverzettelijkheid van een persoon of een karakter
    Waar Droogstoppel doordraaft in zijn ontkenning van het belang van de verbeeldingskracht, daar maakt Havelaar de vergissing om de onbuigzaamheid van de realiteit te onderschatten.
    Hoe meer de barones erover dacht, hoe meer Villeforts handelwijze verscheen in een licht dat voor hen allen het beste was; maar daarmee moest de onbuigzaamheid van de magistraat wel ophouden.

Etymologie

*afleiding van onbuigzaam