bullshit

mannelijk (de)/ˈbulʃɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onjuiste informatie of opvattingen
    Willem-Alexander doet alsof hij het niet weet, maar dat is bullshit.
    We smijten alle bullshit van het grote toneel eruit, ons theater is enkel spieren en geen vet.
    Och, het is natuurlijk allemaal larie. Bullshit zeggen jullie ginder in Alabama.
tussenwerpsel
  1. onzin! (uitroep on nadrukkelijk aan te geven dat wat een ander heeft gezegd, onjuist is)
    Het ene ogenblik noemt hij een mobieltje een ‘enkelband’: ‘Telefoontjes van de vrouw. Mobiele controleerbaarheid. Hoe kan je elkaar nu vertrouwen als je elkaar niet de gelegenheid tot bedriegen geeft?’ Maar even later smeekt hij de hoofdpersoon om hem volgende keer te verhinderen dat eerste glas te drinken: ‘Nee! Bullshit. Geen eigen verantwoordelijkheid. Dat excuus van “laat hem maar begaan” - bullshit! [...] generaties hebben elkaar laten begaan... En het resultaat is dit. Waar we nu zijn. De Heining, dat is het resultaat.’
    Maar hoe zit het dan met de door meerdere mensen gehoorde scheldwoorden aan het adres van Hamilton Richardson? Angelo en field-captain Al Ware: „Bullshit. We hebben niets geroepen."

Etymologie

*van Amerikaans "bullshit" De term komt vanaf 1966 in Nederlandse voor, waarbij het aanvankelijk vooral om onvertaald Engels lijkt te gaan. Interessante voorbeelden van de receptie staan in de Volkskrant uit 1968 in de vorm van een column[https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ABCDDD:010848034:mpeg21:a0087 "Zeg er 'ns wat van..." in: De Volkskrant jrg. 47 nr. 13393 (4 november 1968)]; p. 2 kol. 3; geraadpleegd 2018-08-25 over het zelfstandig naamwoord en een tekst van de Klisjeemannetjes [https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ABCDDD:010848442:mpeg21:a0390 "De wereld van Wim en Kees" in: De Volkskrant jrg. 47 nr. 13266 (8 juni 1968)] p. 31 kol. 6; geraadpleegd 2018-08-25 met het tussenwerpsel.