bungelen
/ˈbʏŋələ(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) loshangend heen en weer zwaaienHij heeft een tijdlang boven de afgrond gebungeld voordat hij uit zijn benarde positie bevrijd werd.
- in onzekerheid verkerenThe Wave heeft een bezeten geoloog, Kristian, die verdachte seismische signalen opvangt, sceptische collega’s, een gezin dat in het dorp wacht en een tikkende klok. Alles volgens het boekje, wat een heel effectieve rampenfilm oplevert. Met een geduldige aanloop, want je wilt dat zwaard van Damocles lekker lang boven het dorp zien bungelen. Sensatie werkt het best na suspense: ook dat lijkt Hollywood vergeten. Coen van Zwol NRC 27 mei 2016
Etymologie
* In de betekenis van ‘slingeren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1782
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek