burgerhuis
onzijdig (het)/ˈbʏrɣərˌhœys/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een eenvoudige woning voor eenvoudige mensen
- een huis waarin een niet adellijk persoon woontMargriet begon haar prinsessenleven trouwens niet in een paleis, maar in een burgerhuis. Dat was in het Canadese Ottawa waarnaar prinses Juliana vanwege de oorlog was uitgeweken.
- een huis waarin iemand woont die geen agrariër isWeilanden, wind en water. En te midden van de weidsheid een heuvel met een bakstenen kerkje van bijna acht eeuwen oud. Dit is Marsum, een Noord-Groningse buurtschap van in totaal zeven boerderijen en een burgerhuis.
- een huis waarin iemand woont die geen geestelijke isDe moderne devotie oversteeg volgens Van Oostrom de oude tegenstelling tussen kerk en wereld, doordat ze verkoos het hele leven op een andere leest te schoeien: „een leven gans op God gericht, maar voluit in de wereld blijvend. Een levenswijze in een gemeenschap van godgewijde zielen, maar wonend in gewone burgerhuizen in de stad, en zonder andere gelofte dan de afspraak met elkaar.”
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek