buurt

mannelijk/vrouwelijk (de)/byrt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een (deel van een) wijk
    Deze buurt is zo'n honderd jaar geleden gebouwd.
  2. de nabijheid
    De bal is in de buurt van die auto gevallen.
    Hij woont in de buurt, het is naar schatting de dertigste keer dat hij hier staat, met enerzijds het uitzicht op de beboste flanken van de Vogezen en aan de zuidwestkant het glooiende laagland van de Haute-Saône.
    Een dag later, lopend door een brede kloof, zag ik een rookpluim in de verte omhoog kringelen. Toen ik aankwam bij het vuurtje zag ik tot mijn verbazing twee paarden aan een lang touw grazen, met verder niemand in de buurt.

Etymologie

* In de betekenis van ‘stadsdeel of deel van dorp’ voor het eerst aangetroffen in 1401

Uitdrukkingen

  • in de buurt blijvenniet ver weggaan
  • uit de buurt blijvenafstand bewaren

Vertalingen

Engelsneighbourhood, quarter, proximity
Fransquartier, voisinage
DuitsStadtteil, Viertel, Nähe
Spaansbarrio, barriada, cercania
Italiaansdistretto
Portugeesbairro
Russischквартал
Poolsdzielnica, okolica, dzielnica
Zweedskvarter, närhet
Deensbydel, kvarter