carga

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈkɑrɣa/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) lading van een vrachtschip
    De carga van Oost-Indië is goed.
  2. scheepvaart (scheepvaart) document dat beschrijft wat er in een vrachtschip is geladen
    {{ouds
  3. beroep, geschiedenis (beroep) (geschiedenis) vertegenwoordiger van een handelshuis die een scheepslading begeleid en na aankomst op de bestemming zorgt voor de verkoop ervan en de inkoop van een lading voor de terugreis
    {{ouds
  4. eenheid, geschiedenis (eenheid) (geschiedenis) (Antillen) maat voor een hoeveelheid handelswaar
    Maïsstokken (paloe maisji) meet men per vaam, dracht of carga, d.i. een bos, die in het midden een omvang heeft van 6 Eng. voet, goed gepakt en ongerekend de meerdere of mindere lengte der stokken.

Etymologie

*van "carga"

Uitdrukkingen

  • allemaal goede zuivere carga