carport

mannelijk (de)/'kɑːrpɔːrt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer (verkeer) een afdak waaronder een auto kan worden geparkeerd
    Wij hadden geen garage maar wel een goedkopere carport.

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘afdak voor auto's’ voor het eerst aangetroffen in 1979