cent
mannelijk (de)/sɛnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (numismatiek) het honderdste deel van een euroYouTube werpt tegen dat het met de meeste internationale auteursrechtenorganisaties deals heeft gesloten om een deel van de omzet af te dragen. Ook de Nederlandse auteursrechtenorganisatie Buma-Stemra sloot zo’n overeenkomst, maar heeft naar eigen zeggen een slechte onderhandelingspositie omdat YouTube wettelijk niet verplicht is één cent af te dragen voor de muziek die op het platform wordt geplaatst.Reinier Kist NRC 22 juni 2016
- (numismatiek) het honderdste deel van een gulden
- (numismatiek) het honderdste deel van een dollarZelfs een pakje noedels kon je kennelijk rauw eten, en hij wierp me een pak Indomie instant kipnoedels van 20 cent toe.
- (muziek) een duizendste logaritmisch deel van een octaafEen gelijkzwevende kwint heeft een waarde van 700 cents en dat scheelt bijna twee cents met een natuurlijke reine kwint.
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘munt ter waarde van het honderdste deel van een gulden’ voor het eerst aangetroffen in 1816
Uitdrukkingen
- Dat is een fluitje van een cent — Dat is heel makkelijk
- Geen cent meer waard — Helemaal niets meer waard
- Dat kost een paar centen — Dat kost een aanzienlijke hoeveelheid geld
- Geen cent te makken hebben — Helemaal geen geld hebben
- Geen twee deuntjes voor één cent zingen — Net in herhaling willen vervallen
- Ik geef er geen cent [meer] voor — Dat beschouw ik als een verloren zaak
- Op een cent kijken — Erg veel met geld bezig zijn en/of erg gierig/vrekkig zijn
- Over een cent vallen — Niets of zo min mogelijk willen uitgeven, heel erg gierig/vrekkig zijn
Vertalingen
Engelscent
Spaanscentavo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek