centenbak

mannelijk (de)/ˈsɛntə(n)bɑk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bakje waarmee men muntgeld kan inzamelen, met name gebruikt door straatmuzikanten
    Bij de ingang van de Nieuwe Kerk staat blinde Bennie de orgeldraaier. Hij staat daar al zowat een kwart eeuw. Vorige winter werd hij door de politie opgepakt en meegenomen voor verhoor. Ze hebben daar na uitputtend onderzoek besloten dat het misschien toch niet zo heel veel kwaad kan, een blinde orgeldraaier, en nu staat hij er gewoon weer iedere dag met zijn centenbak te schudden, altijd net uit de maat.Volkskrant S. Witteman 11 december 2012 [https://www.volkskrant.nl/archief/orgelman~a3361416/ Orgelman]
  2. figuurlijk (figuurlijk) een onderkaak die naar voren staat t.o.v. de bovenkaak
    Da's nog eens een verschil met de huidige Nissan Micra. Het wat suffige bolletje van nu is getransformeerd tot een serieuze hatchback met een bijna nijdige blik in de ogen en een flink grote centenbak. Of V-Motion-grille, zoals Nissan dat zo paarse broek mogelijk noemt.de Telegraaf 29 sep. 2016 [https://www.telegraaf.nl/vrij/1271108/nissan-micra-schudt-suffigheid-van-zich-af Nissan Micra schudt suffigheid van zich af]
    "Ach lieve Jezus, straks gaan ze natuurlijk nog zoenen ook", dacht ik, inwendig alvast kermend van weerzin. En ja hoor, daar gingen ze, Keira met haar centenbak en Aaron met die vieze haarworst.Volkskrant S. Witteman 27 december 2012 [https://s.vk.nl/s-a3368811/?_sp=4ff1ba13-323c-44f1-bfa0-7c6a2bc16a0b.1521649320638 Snor]