chic

mannelijk (de)/ʃik/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sociaal milieu dat zich door verfijnd uiterlijk en gedrag presenteert als de toonaangevende groep in een bepaalde plaats
    De 71-jarige specialist in het overvallen van geldtransporten geniet momenteel van zijn oude dag in de Brusselse chic van Sint-Pieters-Woluwe.

Etymologie

#van een goede smaak getuigend; fatsoenlijk, gepast

Uitdrukkingen

  • chic de friemeloverdreven / gemaakt netjes

Vertalingen

Engelschic, chic
Franschic, chic
Duitsschick, chic, vornehm
Spaansrefinado, chic, elegante
Russischшикарный
Arabischأنيق
Turksşık