chocoladekoek
mannelijk (de)/ʃokoˈladəˌkuk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kookkunst) zoete lekkernij van dubbel gebakken deeg, met chocola in het deeg of als aparte laagNeem toch, vervolgde zij, mij een schoteltje en een mes toeschuivend. Het is chocoladekoek, wij bakken hier altijd alles zelf, rommel van de banketbakker komt bij ons niet in huis.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek