consul
mannelijk (de)/ˈkɔnzʏl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (beroep) (diplomatie) gevolmachtigd vertegenwoordiger van een vreemde regering in een land.
- (geschiedenis) (beroep) elk van de beide eerste overheidspersonen tijdens de Republiek in Rome.
Etymologie
*van Latijn "consul", in de betekenis van ‘gevolmachtigd vertegenwoordiger van land’ voor het eerst aangetroffen in 1470
Vertalingen
Engelsconsul, consul
Fransconsul, consul
DuitsKonsul, Konsul
Spaanscónsul, cónsul
Italiaansconsole, console
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek