den
mannelijk (de)/dɛn/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (coniferen) kegeldragende naaldboom van het geslacht
- een kerstboomO dennenboom! O dennenboom! wat zijn je takken wonderschoon.
zelfstandig naamwoord
- hol van roofdier
- de opstaande kant van het scheepsruim, vanaf het dek van een binnenschip
- bergzolder, bergvloer boven de dorsvloer
- (Limburg, Zuid-Brabant) dorsvloer
- (Zeeland, Vlaanderen) dorsplein, dorskleed
lidwoord
- (in vaste uitdrukkingen) accusatief en datief enkelvoud mannelijk en onzijdig (de, het) arch.Op den duur.
- (in Zuid-Nederlandse spreektaal) enkelvoudig mannelijk bepaald lidwoord wanneer eropvolgend woord met een klinker of b, d, h of t begintDen Haag.
Etymologie
* B: (erfwoord): Middelnederlands denne ‘scheepsdek, -ruim; bergplaats; dorsvloer’, ontwikkeld uit Oergermaans *danjō; bij Indo-Europees *dʰen- ‘handpalm; vlakke bodem; platte plank’, waartoe Sanskrit dhánuḥ ‘zandbank, eiland’, dhanū́ḥ ‘hoge oever’, dhánvan- ‘droog land, woestijn’, Avestisch ϑanvan-, ϑanvar- ‘boog’, Latijn femur ‘dijbeen’ en Oudgrieks thénar ‘handpalm, voetzool’ behoren. Evenals Middelnederduits denne ‘bosdal, leger van dieren, laagte’ en Duits Tenne ‘dorsvloer; vloerdeel’.
Vertalingen
Engelspine
DuitsKiefer, Föhre
Spaanspino
Russischсосна
Poolssosna
Zweedstall
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek