den

mannelijk (de)/dɛn/

Wat is de betekenis van den?

den betekent: (coniferen) kegeldragende naaldboom van het geslacht

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. coniferen (coniferen) kegeldragende naaldboom van het geslacht
  2. een kerstboom
zelfstandig naamwoord
  1. hol van roofdier
  2. de opstaande kant van het scheepsruim, vanaf het dek van een binnenschip
  3. bergzolder, bergvloer boven de dorsvloer
  4. (Limburg, Zuid-Brabant) dorsvloer
  5. (Zeeland, Vlaanderen) dorsplein, dorskleed
lidwoord
  1. (in vaste uitdrukkingen) accusatief en datief enkelvoud mannelijk en onzijdig (de, het) arch.
  2. (in Zuid-Nederlandse spreektaal) enkelvoudig mannelijk bepaald lidwoord wanneer eropvolgend woord met een klinker of b, d, h of t begint

Voorbeelden van "den" in een zin

  • O dennenboom! O dennenboom! wat zijn je takken wonderschoon.
  • Op den duur.
  • Den Haag.

Etymologie

* B: (erfwoord): Middelnederlands denne ‘scheepsdek, -ruim; bergplaats; dorsvloer’, ontwikkeld uit Oergermaans *danjō; bij Indo-Europees *dʰen- ‘handpalm; vlakke bodem; platte plank’, waartoe Sanskrit dhánuḥ ‘zandbank, eiland’, dhanū́ḥ ‘hoge oever’, dhánvan- ‘droog land, woestijn’, Avestisch ϑanvan-, ϑanvar- ‘boog’, Latijn femur ‘dijbeen’ en Oudgrieks thénar ‘handpalm, voetzool’ behoren. Evenals Middelnederduits denne ‘bosdal, leger van dieren, laagte’ en Duits Tenne ‘dorsvloer; vloerdeel’.

Vertalingen

Engelspine
DuitsKiefer, Föhre
Spaanspino
Russischсосна
Poolssosna
Zweedstall