Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

dentuur

vrouwelijk (de)/dɛn'tyr/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het samenstel van tanden en kiezen dat in de mond van een mens of de bek of muil van een dier kan worden aangetroffen
    Ik, voor mij, vind dat het rooken of desnoods het nonchalant tusschen de lippen houden (liefst een beetje naar beneden hangend) van een sigaret, door een bevallige dame met mooie dentuur, haar iets pikants geeft. Misschien komt dit wel door het coquetteeren met de mooie tanden of – door het afstekende rood der lippen – gepaard met de doorgaans (tengevolge van den opkronkelenden rook) gevoileerde oogen.

Etymologie

* uit het Frans