det

mannelijk (de)/dɛt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geologie (geologie) stuk rots
  2. wegenbouw (wegenbouw) stuk steen gebruikt als wegverharding
  3. spel (spel) balletje van hard materiaal om mee te knikkeren
    Maar onder Hostes regie blijf je voortdurend zien waar de loden det nu weer heenschiet en tegen welk nieuw (vermeend) verraad de flipperbal ketst en kaatst.

Etymologie

*uit het Bargoens