klinker

mannelijk (de)/ˈklɪŋkər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. taalkunde (taalkunde) elke spraakklank waarbij de ademstroom nergens wordt afgeknepen
    Het Nederlands kent ongeveer zestien klinkers die als foneem fungeren.
  2. een letter of teken dat een dergelijke spraakklank voorstelt
    De meest voorkomende klinker in het Nederlands is de e.
  3. bouwkunde (bouwkunde) een harde baksteen die door zijn structuur geen water opzuigt
    De klinkers werden door de stratenmaker zorgvuldig in het zandbed gelegd.
  4. beroep (beroep) Iemand die geholpen door de nageljongen met klinknagels voorwerpen aan elkaar klinkt

Etymologie

**[3] De naam klinker is afkomstig van het heldere geluid dat deze baksteen geeft als er op getikt wordt.

Vertalingen

Engelsvowel, brick
Fransvoyelle
DuitsVokal, Klinker
Spaansvocal
Italiaansvocale
Portugeesvogal
Japans母音
Poolssamogłoska
Zweedsvokal
Deensselvlyd, vokal, klinke