deugdzaamheid
vrouwelijk (de)/'døxtsamhɛɪt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het vol met moreel goede eigenschappen zijnDe deugdzaamheid van de brave boer was een zegen voor zijn vrouw en huisgezin.
Etymologie
* afgeleid van deugdzaam
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek