dienaar

mannelijk (de)/ˈdinar/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) iemand die in persoonlijke dienst van een meester is
    Hij werd door zijn eigen dienaren vermoord.

Etymologie

* van dienen

Vertalingen

Engelsboy, servant
Spaanscriado, sirviente