ding
onzijdig (het)/dɪŋ/
Wat is de betekenis van ding?
ding betekent: voorwerp dat geen dier of mens is
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- voorwerp dat geen dier of mens is
- (informeel) persoon, slechts gezien als iemand die lichamelijk aantrekkelijk is
- (informeel) mannelijk geslachtsdeel
- (geschiedenis) driedaagse volksvergadering die recht kon spreken en dus als rechtszitting fungeerde in de Oudgermaanse tijd
- gebeurtenis
Voorbeelden van "ding" in een zin
- Hij behandelde zijn vrouw altijd als een ding, het verbaasde dan ook niemand toen zij van hem wegliep.
- Ik voelde me wel een beetje bekeken met die dingen in mijn handen, ook al was er niemand om het te zien.
- De oude rijke man trouwde voor de zoveelste keer een nieuw jong ding.
- Ik vind jouw broer een lekker ding.
- De oude vrouw dacht vaak aan dingen van vroeger.
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands dinc ‘rechtszitting, -bank; zaak, voorwerp’, ontwikkeld uit Oergermaans *þingaz ‘volksvergadering van alle vrijen’, bij Indo-Europees *tenk- ‘trekken, spannen’, uitbreiding met -k van *ten- ‘uitspreiden, trekken, strekken’, waartoe ook Gotisch þeihs ‘tijd’ en Latijn tempus behoren. Evenals Nederduits/Duits Ding, Engels thing en Zweeds ting.
Uitdrukkingen
- al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding
Vertalingen
Engelsthing
Franschose
DuitsDing
Spaanscosa
Italiaanscosa
Poolsrzecz
Zweedssak
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek