persoon

mannelijk (de)/pɛrˈson/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. menselijk individu
    Maar heb jij je nooit afgevraagd waar jij mee bezig bent? Hoe nuttig het is om vijf, zes keer per jaar dezelfde persoon van straat te moeten plukken? Om dezelfde voordeur steeds weer te moeten openbreken? Jij voelt je de redder van de mensheid.
    Het creëren van een slaapplek voor zeven personen viel nog niet mee.
    'Zonder jou ben ik mijn beste vriendin kwijt en de meest grappige, irritante, getalenteerde, en ja, ook de meest liefdevolle persoon uit mijn leven.
  2. grammatica (grammatica) een van de drie klassen van de persoonlijke voornaamwoorden, wordt ook gebruikt in relatie tot de vervoeging van een werkwoord die hierop gebaseerd is, namelijk de eerste, tweede en derde personen
  3. juridisch (juridisch) menselijk wezen, onderneming of instelling met rechten en plichten die door de wet erkend worden, namelijk de natuurlijke persoon en de rechtspersoon
  4. personage, figuur

Etymologie

**[2] in de betekenis van ‘klasse van de persoonlijke voornaamwoorden, als grammaticale term’ aangetroffen vanaf 1576

Uitdrukkingen

  • de persoon in kwestie

Vertalingen

Engelsperson, person
Franspersonne, personne
DuitsPerson, Person
Spaanspersona, persona
Italiaanspersona, persona
Portugeespessoa, pessoa
Russischлицо, лицо
Chinees
Japans
Koreaans사람
Poolsosoba, osoba
Zweedsperson, person