directieraad

mannelijk (de)/di'rɛksirat/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bijeenkomst van de directie
    Kort na de directieraad had hij zijn zwanezang in één geut voltooid, zonder onderbrekingen, zonder een droge penpunt steeds van het peinzen, overvloeiend slechts van liefde voor Catharina.
    "De raad van toezicht noch de bestuurder had voldoende oog voor de kwaliteit en veiligheid van de zorg, directieraad en zorgmanagers kwamen te laat en onvoldoende in actie, medisch specialisten en verpleegkundigen namen hun verantwoordelijkheid niet, spraken elkaar niet aan en werkten evenmin samen om de uitbraak te beteugelen en nieuwe infecties te voorkomen."