dissident
mannelijk (de)/ˌdɪsiˈdɛnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (politiek), (maatschappij) andersdenkende binnen dezelfde partij of dezelfde godsdienstEr was één dissident binnen de coalitie: PvdA’er Jacques Monasch. Hij kondigde dinsdag zoals verwacht aan met de oppositie mee te zullen stemmen. „Europa gaat te snel”, verkondigde het Kamerlid voor een haag aan televisiecamera’s. En daarmee was het kabinet de minimale meerderheid van 76 zetels kwijt. NRC Thijs Niemantsverdriet 20 april 2016
- afvallige, ketter
- (politiek) (maatschappij) andersdenkend binnen dezelfde politieke partij of binnen dezelfde godsdienst
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘andersdenkende’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Vertalingen
Engelsdissident
Fransdissident
DuitsDissident
Spaansdisidente
Italiaansdissidente
Poolsdysydent
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek