doof

/doːf/

Wat is de betekenis van doof?

doof betekent: niet of minder goed tot horen in staat zijn

Betekenis

bijvoeglijk naamwoord
  1. medisch_in_het_nederlands niet of minder goed tot horen in staat zijn
  2. slapend, zonder gevoel
werkwoord
  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doven
  2. gebiedende wijs van doven
  3. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doven

Voorbeelden van "doof" in een zin

  • De dove man kon nog een prima leven leiden.
  • Een doof gevoel in de tenen kan komen door een slechte doorbloeding.
  • Ik doof.
  • Doof!
  • Doof je?

Betekenis en uitleg van doof

Het woord 'doof' verwijst naar het onvermogen om geluid waar te nemen. Dit kan variëren van een gedeeltelijk verlies van gehoor tot volledige doofheid, waarbij iemand helemaal geen geluiden kan horen.

Je gebruikt het woord 'doof' vaak in gesprekken over gehoorproblemen of om iemand te beschrijven die niet in staat is geluiden te horen. Het kan ook figuurlijk worden gebruikt, bijvoorbeeld om aan te geven dat iemand niet luistert of ongevoelig is voor bepaalde situaties. In de moderne samenleving is er ook aandacht voor de cultuur en de gemeenschap van doven, wat de nuance van het woord verder verrijkt.

Voorbeelden

  • Na een lange blootstelling aan harde muziek werd hij geleidelijk doof aan zijn rechteroor.
  • Ze is doof geboren, maar dat heeft haar nooit tegengehouden om haar dromen na te jagen.
  • Tijdens de vergadering leek hij doof voor de kritiek die op zijn voorstel werd gegeven.

Woordoorsprong

Het woord 'doof' komt van het Oudnederlands 'dof', wat 'slecht hoorbaar' betekent. Dit is verwant aan andere Germaanse talen waarin vergelijkbare woorden bestaan voor gehoorproblemen.

Veelgestelde vragen over doof

Wat is de betekenis van doof?

doof betekent: niet of minder goed tot horen in staat zijn

Hoeveel betekenissen heeft doof?

doof heeft 5 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Hoe gebruik je doof in een zin?

Voorbeeld: “De dove man kon nog een prima leven leiden.

Etymologie

erfwoord via Middelnederlands doof van Oudnederlands doof, in de betekenis van ‘niet kunnende horen’ aangetroffen vanaf de 10e eeuw

Vertalingen

casord
Duitstaub
Engelsdeaf
Franssourd
hiबहरा
iosurda
idtuli
Italiaanssordo
jvbudeg
ocsord
Poolsgłuchy
Spaanssordo
Turkssağır