doof
/doːf/
Wat is de betekenis van doof?
doof betekent: niet of minder goed tot horen in staat zijn
Betekenis
bijvoeglijk naamwoord
- niet of minder goed tot horen in staat zijn
- slapend, zonder gevoel
werkwoord
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doven
- gebiedende wijs van doven
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doven
Voorbeelden van "doof" in een zin
- De dove man kon nog een prima leven leiden.
- Een doof gevoel in de tenen kan komen door een slechte doorbloeding.
- Ik doof.
- Doof!
- Doof je?
Etymologie
erfwoord via Middelnederlands doof van Oudnederlands doof, in de betekenis van ‘niet kunnende horen’ aangetroffen vanaf de 10e eeuw
Vertalingen
casord
Duitstaub
Engelsdeaf
Franssourd
hiबहरा
iosurda
idtuli
Italiaanssordo
jvbudeg
ocsord
Poolsgłuchy
Spaanssordo
Turkssağır
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek