Door
mannelijk (de)/dor/
Betekenis
voorzetsel
- de handelende persoon bij een lijdende vormHet afval wordt wekelijks door vuilnismannen opgehaald.Dit huis is door mijn vader gebouwd.
- de oorzaakIn de herfst heeft de trein vaak vertraging door gladheid van het spoor.Ze ging naar de zonsondergang kijken vanuit het water, maar kwam er niet meer uit door de sterke stroming. Haar lichaam werd pas dagen later gevonden.
- inWe liepen uren door het park.
- tijdens, gedurendeHet is hier in het weekend veel drukker dan door de week.
- doorheen, binnenin van de ene kant naar de andere kantHet water stroomt door de leiding.
- doorheen, aan de ene kant naar binnen en aan de andere kant naar buitenHet valt niet mee de draad door het oog van de naald te steken.
- als achterzetsel: doorheen, van de ene kant naar de andere kant, aan de ene kant naar binnen en aan de andere kant naar buitenDe gang door.
- als achterzetsel: van het begin tot het einde, gedurendeJantje heeft de hele dag door zitten zeuren.
- door ... te + infinitief; de procedure die gevolgd wordt om het doel te bereikenJe kunt de bus laten stoppen door op de knop te drukken.
- de ene stof is door de andere gemengdEr zat teveel peper door het eten.
zelfstandig naamwoord
- dwaas
- centrale deel van vogelei
Etymologie
:West: : through (: thuru), : durch, (: duruh), : troch (Oudfries: thur, thore)
Uitdrukkingen
- De kogel door de kerk laten gaan — De beslissing nemen
- De kogel is door de kerk
- Door de bomen het bos niet meer zien — Door een overvloed aan informatie het overzicht verliezen
- Door de mand vallen — Door bepaalde zaken die duidelijk worden en blijk geven de waarheid ander is dan gedacht
- Door de mazen van het net kruipen — op slimme manier proberen ergens onder uit te komen
- Door de neus boren — iemand anders iets de mogelijkheid ontnemen
- Door de wol geverfd
- Door de wol geverfd zijn — een deugniet zijn
Vertalingen
Engelsby, from, by
Duitsdurch, von, durch
Spaanspor, por
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek