dorper
mannelijk (de)/ˈdɔrpər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- inwoner van een dorp of iemand die uit een dorp afkomstig isHij pakte haar opnieuw beet, trok haar uit het water en begon van pure opluchting en trots alle dorpelingen stuk voor stuk een hand te geven. De Chinezen wisten nauwelijks hoe ze op dat handen schudden moesten reageren. Bij de eerste drie moest hij zelf de hand grijpen waarbij de dorper de aanraking verbluft over zich heen liet komen. Toen begreep de bevolking het spel en Constant kon verder gewoon handen schudden.
- (pejoratief) iemand met weinig beschaving of respectGlobaal genomen verschaffen de Boekjes van Zeden adviezen waarmee men zich in de wereld kan handhaven, en bovenal waarmee men zich kan conformeren aan de geldende regels voor sociaal gedrag. Wie zich niet aan die regels houdt, diskwalificeert zichzelf in sociaal opzicht. Het is de onbeschaafde ‘dorper’ die God noch gebod kent, zijn plaats niet weet, andermans gevoelens niet ontziet, het conflict niet schuwt, louter op zijn instincten afgaat, risico's neemt en, onverantwoordelijk, voor het vaderland weg leeft. Tijdens de maaltijd, de sociale gebeurtenis bij uitstek, valt hij door de mand met zijn aanstootgevende gedrag.
Etymologie
*van "dorper", op te vatten als afgeleid van "dorp"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek