drinken

onzijdig (het)/'drɪŋkə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) een vloeistof (bijvoorbeeld drinkwater) via de mond innemen
    Het was alsof hij nog nooit eerder iets warms te drinken had gekregen.
    Op warme dagen moet je veel drinken omdat je veel vocht verliest door te zweten.
    Omdat overal besmettelijke Giardia-parasieten in het water konden zitten, was het noodzakelijk om het water te zuiveren alvorens het te drinken.
  2. intr, pregnant (intr) (pregnant) een alcoholische drank op de onder [1] beschreven manier nuttigen
    Hij dronk zo veel dat hij er ziek van werd.
    Als je hebt gedronken mag je geen autorijden.
zelfstandig naamwoord
  1. vloeistof die men kan gebruiken voor inname
    'Gaat het weer een beetje? Wil je anders een slokje water?' Ik knik en Lot geeft me haar thermoskan met drinken aan.

Etymologie

*Afkomstig van het Middelnederlandse drinken, verwant met het Oudnederfrankische en Oudsaksische drinkan, Oudhoogduitse trinkan, Oudfriese drinka, Oudengelse drincan, Oudnoorse drekka, Gotische drigkan.

Uitdrukkingen

  • Drinken ( of zuipen) als een tempelierovermatig drinken
  • Den lijdenskelk ( of de -beker) ledigen ( of drinken)

Vertalingen

Engelsdrink
Fransboire
Duitstrinken
Spaansbeber
Italiaansbere
Russischпить, выпить
Poolspić
Zweedsdricka
Deensdrikke