echtpaar
onzijdig (het)/ˈɛx(t)par/
Wat is de betekenis van echtpaar?
echtpaar betekent: twee mensen die met elkaar getrouwd zijn
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- twee mensen die met elkaar getrouwd zijn
Voorbeelden van "echtpaar" in een zin
- Het echtpaar doet vrijwel alles samen.
- Ik ken geen echtpaar dat geen problemen heeft gehad.
- Het echtpaar loopt weg langs de mahoniehouten lambrisering, de met rode vlekken besmeurde tafelkleden, de omgegooide zilveren kannen en de voedselresten.
Veelgestelde vragen over echtpaar
Wat is de betekenis van echtpaar?
echtpaar betekent: twee mensen die met elkaar getrouwd zijn
Welk woordgeslacht heeft echtpaar?
echtpaar is een onzijdig (het).
Hoe gebruik je echtpaar in een zin?
Voorbeeld: “Het echtpaar doet vrijwel alles samen.”
Vertalingen
DuitsEhepaar
Spaansmatrimonio
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek