echtpaar

onzijdig (het)/ˈɛx(t)par/

Wat is de betekenis van echtpaar?

echtpaar betekent: twee mensen die met elkaar getrouwd zijn

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. twee mensen die met elkaar getrouwd zijn

Voorbeelden van "echtpaar" in een zin

  • Het echtpaar doet vrijwel alles samen.
  • Ik ken geen echtpaar dat geen problemen heeft gehad.
  • Het echtpaar loopt weg langs de mahoniehouten lambrisering, de met rode vlekken besmeurde tafelkleden, de omgegooide zilveren kannen en de voedselresten.

Vertalingen

DuitsEhepaar
Spaansmatrimonio