eenrichtingsweg

mannelijk (de)/enˈrɪxtɪŋsˌwɛx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer (verkeer) weg waarop de bestuurders in één richting rijden
    Een agent steekt boos zijn bezwete hoofd door het raam. „Zie je niet dat dit een eenrichtingsweg is?”, schreeuwt hij.
  2. figuurlijk (figuurlijk) ontwikkeling die onvermijdelijk tot een bepaald gevolg leidt
    De vraag is of wij als Europeanen grensoverschrijdend willen blijven samenwerken of het gewoon opgeven en denken: het zal wel. Maar ik denk niet dat het een verloren zaak is. We zitten niet op een eenrichtingsweg richting Europese ontwrichting, we kunnen het tij nog keren.