eenrichtingsweg
mannelijk (de)/enˈrɪxtɪŋsˌwɛx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verkeer) weg waarop de bestuurders in één richting rijdenEen agent steekt boos zijn bezwete hoofd door het raam. „Zie je niet dat dit een eenrichtingsweg is?”, schreeuwt hij.
- (figuurlijk) ontwikkeling die onvermijdelijk tot een bepaald gevolg leidtDe vraag is of wij als Europeanen grensoverschrijdend willen blijven samenwerken of het gewoon opgeven en denken: het zal wel. Maar ik denk niet dat het een verloren zaak is. We zitten niet op een eenrichtingsweg richting Europese ontwrichting, we kunnen het tij nog keren.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek