eigen
/ˈɛi̯ɣə(n)/
Wat is de betekenis van eigen?
eigen betekent: op zichzelf betrekking hebbend, van jezelf
Betekenis
bijvoeglijk naamwoord
- op zichzelf betrekking hebbend, van jezelf
- typisch (voor)
werkwoord
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eigenen
- gebiedende wijs van eigenen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eigenen
Voorbeelden van "eigen" in een zin
- Eigen huis.
- Vakantie in eigen land.
- Experimenteren is eigen aan de leeftijd.
- Iedere streek heeft iets eigens.
- Ik eigen.
Etymologie
erfwoord via Middelnederlands eigen / eighin van Oudnederlands ēgan , in de betekenis van ‘van het subject’ aangetroffen vanaf 1100, voltooid deelwoord van het werkwoord *eigan ('bezitten'), van Germaans *aiganan, vergelijk Oudhoogduits eigan, eigen, Angelsaksisch āgen, Engels own; als zelfstandig n
Vertalingen
Engelsown
Franspropre
ndseigen
pappropio
Poolswłasny
Spaanspropio
csvlastní
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek