eland
mannelijk (de)/ˈelɑnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (evenhoevigen) , een groot hert uit de poolstreken met een opvallend groot en breed vertakt geweiIn Canada worden elanden vaak aangereden omdat ze over de weg lopen.
Etymologie
* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘herkauwer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1456
Vertalingen
Engelselk, moose
Fransélan
DuitsElch
Spaansalce, ante
Italiaansalce
Portugeesalce, grã-besta
Russischлось
Zweedsälg
Deenselg
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek