end
onzijdig (het)/ɛnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- uiterste deel, daar waar iets ophoudtUw betoog van zojuist was gericht tegen de versnippering van de zorg en de grote hoeveelheid aanbieders die inderdaad van het ene end van de stad naar het andere end van de stad rijden, om vervolgens met hun autootje naast de concurrent te gaan staan.
- ogenblik dat iets stoptTante kan niet eeuwig levenOok aan tante komt 'n end
- flinke afstandOok wie weinig nodig heeft, zal graag een winkelwagentje nemen, al is het maar om op de stang te kunnen leunen. Voor een stukje zeep in pakweg rij 11-B moet immers een end gelopen worden.
- kort stukEen advocaat in Amsterdam, Frank Bakker, heeft de minister gedagvaard, aangezien er niet goed opgetreden wordt tegen losgeslagen fietsers. "Vandaag of morgen sla ik er een met een end hout." Je merkt dat de emoties hoog oplopen bij deze meneer en dat is ook wel logisch.
Etymologie
*van Middelnederlands "ende"
Uitdrukkingen
- een heel end
- gebed zonder end
- aan alles komt een end
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek