equator

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aardrijkskunde, landmeetkunde (aardrijkskunde), (landmeetkunde) de denkbeeldige scheidslijn tussen het noordelijk en zuidelijk halfrond op aarde of op de hemelglobe
    Het vlak van de equator staat haaks op de aardas, midden tussen de polen. en strekt zich uit tot aan de hemelglobe.
  2. biologie, anatomie (biologie), (anatomie) de grens van het tandvlees
    De prothetische equator van de afzonderlijke tanden.

Etymologie

*Van het Latijnse "aequare" (gelijkmaken, evenaren)

Vertalingen

Engelsequator
Franséquateur
DuitsÄquator
Spaansecuador
Italiaansequatore
Zweedsekvator