equipage
vrouwelijk (de)/ˌekiˈpaʒə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) bemanning op een schip, beneden de rang van officier
- (schertsend) bagage
- eigen rijtuig
Etymologie
* van equiperen
Vertalingen
Engelscarriage, coach
Spaansberlina, calesa
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek