equipage

vrouwelijk (de)/ˌekiˈpaʒə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) bemanning op een schip, beneden de rang van officier
  2. schertsend (schertsend) bagage
  3. eigen rijtuig

Etymologie

* van equiperen

Vertalingen

Engelscarriage, coach
Spaansberlina, calesa