Eros

mannelijk (de)/ˈerΙ”s/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het verlangen naar lichamelijke liefde tegenover agape (naastenliefde) en philia (vriendschap)
    Het piepkleine poΓ«zie-wereldje is van vriendendiensten vergeven. Voor de debuutbundel Afvaart (1931) van de dorpsschoolmeester Gerrit Achterberg, leverde vriend Roel Houwink een voorwoord: 'God, daemon en eros liggen er nog onder denzelfden moederlijken mantel toegedekt', en: 'hij is niet meer dan een instrument, waarop God het behaagd heeft een pastorale te spelen, de laatste wellicht die Hij ons, ge-asphalteerde Westerlingen ten gehoore geven wil.' Volkskrant Arjan Peters 9 juli 2016

Etymologie

* uit het Grieks

Vertalingen

Engelseros