evangelist
mannelijk (de)/ˌevɑŋɣeˈlɪst/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) volgeling van Jesus die het verhaal van zijn leven en sterven op schrift gesteld heeftMarcus en Lucas waren evangelisten.
- (beroep) verkondiger van het christelijke geloof met name aan niet-gelovigenBilly Graham was een bekende evangelist.
Etymologie
*via Middelnederlands "ewangeliste", "évangéliste" en Latijn "evangelista" of direct van "εὐαγγελιστής" (euaggelistés) "boodschapper die goed nieuws brengt", op te vatten als afgeleid van evangelie , in de betekenis van ‘schrijver van een evangelie, verkondiger van het evangelie’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Vertalingen
Engelsevangelist
Fransévangéliste
DuitsEvangelist
Spaansevangelista
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek