fagottist

mannelijk (de)/ˌfɑɣɔˈtɪst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep, muziek (beroep) (muziek) iemand die de fagot bespeelt
    De woedende fagottist gooide zijn blaasinstrument op de grond.
    De foto’s die Simon van Boxtel exposeert tijdens het Amsterdamse Grachtenfestival dwingen tot langer kijken dan normaal. En tot nadenken. Zoals over de foto van een keurig geklede fagottist met zijn instrument, buiten naast een woeste boomstam. De boom en de fagot zijn alle twee van hout. Het ene is grillige natuur, het andere is een ingenieus gebouwd instrument met veel techniek.
    Inhoudelijk volgen de scholen onze redenering dat je moet kijken naar aantallen. Bijvoorbeeld: hoeveel fagottisten heb je op je opleiding?

Etymologie

*afgeleid van fagot

Vertalingen

Fransbassoniste
Spaansfagot, fagotista