faillissement
onzijdig (het)/ˌfajisəˈmɛnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (juridisch) de toestand van iemand die, blijkens rechterlijk onderzoek, niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoenDoor het faillissement van de behanger kon zijn huis niet op tijd afgewerkt worden.
- (juridisch) een in de wet geregelde procedure voor een persoon of onderneming die niet (meer) in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoenToen de crisis toegeslagen had bij de luchtvaartmaatschappij, was het faillissement onvermijdelijk geworden.
Etymologie
*In het Nederlands gevormd van het Franse faillir (falen, failliet gaan) of faillite (failliet) (dat in het Nederlands als bastaardmorfeem gebruikt wordt)
Uitdrukkingen
- in staat van faillissement
- niet in staat om te blijven betalen en verstoken van enig krediet
Vertalingen
Engelsbankruptcy
Franscessation de paiements, cessation de paiements, faillite
DuitsPleite, Zahlungsunfähigkeit, Insolvenz
Spaansquiebra, bancarrota
Italiaansbancarotta, fallimento
Portugeesfalência
Zweedskonkurs
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek